De identificatieverplichting voor niet-beursgenoteerde vennootschappen
De Wet van 18 januari 2010 (tot wijziging van de wet van 11 januari
1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor
het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en het
wetboek van vennootschappen) is relatief onopgemerkt gebleven.
Ze heeft nochtans verregaande gevolgen voor aandeelhouders van
niet-beursgenoteerde vennootschappen. De nieuwe verplichtingen
die ze hen oplegt in het kader van de strijd tegen witwaspraktijken
maakt een definitief einde aan de schrale discretie die nog bleef
bestaan sinds de afschaffing van de effecten aan toonder.
Voor 2008 was de informatie met betrekking tot het
aandeelhouderschap in vennootschappen zeer beperkt. De
wetgever heeft met de wet van 2 mei 2007 de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen in beursgenoteerde vennootschappen
ingevoerd. De wet voorziet dat houders van belangrijke
deelnemingen in beursgenoteerde vennootschappen verplicht
zijn de CBFA en de vennootschap te verwittigen inzake hun
aandeelhouderschap wanneer de drempel van 5% van het totaal
van de stemrechten wordt overschreden (art. 514 van het Wetboek
van vennootschappen, hierna W. Venn.). Deze kennisgeving is
eveneens verplicht wanneer het aantal stemrechten 10%, 15%,
20% enzovoort, telkens per schijf van 5 procentpunten, van het
totaal van de bestaande stemrechten bereikt of overschrijdt.
In het kader van de strijd tegen witwaspraktijken en de financiering
van terrorisme wordt deze informatieverplichting nu ook opgelegd
aan niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen (hierna,
NV’s) of commanditaire vennootschappen op aandelen (hierna,
Com. VA’s) die aandelen aan toonder of gedematerialiseerde
aandelen hebben uitgegeven. Artikel 515bis W. Venn., zoals
ingevoerd door de wet van 18 januari 2010, legt aan elke natuurlijke
persoon of rechtspersoon, die een participatie verwerft van 25%
of meer, de verplichting op om zich kenbaar te maken aan de
vennootschap. De vennootschap moet immers over relevante
informatie beschikken omtrent haar uiteindelijke begunstigden. De
Raad van Bestuur moet bovendien de aandeelhoudersstructuur
opnemen in de toelichting bij de jaarrekening.
Elke aandeelhouder is met andere woorden verplicht om met ingang van 5 februari 2010 zijn identiteit en het aantal effecten waarvan hij houder is kenbaar te maken aan de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is. Zodra een aandeelhouder over 25% of meer van het totaal van de stemrechten, die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen, in de algemene vergadering beschikt, moet deze dit ter kennis brengen. Ook wanneer het aantal stemrechten onder de drempel van 25% daalt door een overdracht, dient de aandeelhouder de vennootschap hiervan op de hoogte te houden. De aandeelhouders moeten deze verplichting vervullen binnen de 5 werkdagen volgend op de dag van de verwerving/overdracht.
Voor de natuurlijke of rechtspersonen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet rechtstreeks of onrechtstreeks 25% of meer van de stemrechten bezitten, werd een overgangsregeling voorzien. Zij moeten dit ter kennis brengen aan de vennootschap binnen de 6 maanden, met name vóór 5 augustus 2010.
Een belangrijk gevolg van deze meldingsplicht is dat niemand kan stemmen op de algemene vergadering met meer stemmen dan degene verbonden aan de effecten waarvan hij minstens 20 dagen voor de datum van de algemene vergadering kennis heeft gegeven. De algemene vergadering kan desgevallend verdaagd worden door de Raad van Bestuur voor een periode van drie weken, op voorwaarde dat de algemene vergadering de verplichte melding doet binnen de 20 dagen voordat de algemene vergadering zou plaatsvinden.
De wet voorziet specifieke sancties voor het niet naleven van de informatieverplichting binnen de voorziene termijn. De uitoefening van de stemrechten kan door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel geschorst worden voor een periode van ten hoogste één jaar. De Voorzitter kan eveneens een geplande algemene vergadering opschorten voor een bepaalde periode.
Hij zou zelf de verkoop van de effecten kunnen opleggen aan een derde die niet verbonden is aan de houder van de effecten. Wil de vennootschap dit vermijden, dan zal ze tijdig alle aandelen moeten omzetten in aandelen op naam. De identificatieplicht geldt immers voor alle NV’s en Comm. VA’s die aandelen aan toonder of gedematerialiseerde aandelen uitgeven.
De afschaffing van de effecten aan toonder heeft tot gevolg dat alle effecten hoe dan ook uiterlijk op 31 december 2013 omgezet moeten worden in gedematerialiseerde effecten of effecten op naam. Vele houders van niet-beursgenoteerde effecten, zoals aandelen van een familiale onderneming, hoopten nog op enige discretie door hun aandelen om te zetten in gedematerialiseerde effecten in plaats van effecten op naam. Deze nieuwe wet heeft hier verandering in gebracht. Heel wat familiale ondernemingen zullen vermoedelijk vervroegd overgaan tot de omzetting van hun effecten aan toonder. Ondernemers zullen ook geneigd zijn na te denken over de overdracht van hun onderneming en een mogelijke successieplanning. Bij het overlijden van de ondernemer kan de fiscus immers aan de onderneming vragen wie de aandeelhouders zijn. Voor meer informatie kunt u terecht bij uw relatiebeheerder.
Annick Haerens
Hoofd Patrimoniaal Advies
Katia Gevaert
Patrimoniaal Adviseur